Lezing Jan Mulder

Jan Modderman Lezing / Groningen / 22 maart 2014

Rozen & Tractoren

In het najaar van1964 werd ik voor de eerste keer in mijn leven geïnterviewd. De interviewer heette Hans Verhagen, de krant waarin het stuk werd gepubliceerd De Haagsche Post, toen nog met ch, uitgebracht op krantenpapier.

De naam van de fotograaf was Wim van der Linden. Verhagen en Van der Linden waren, samen met Wim T. Schippers, makers van het legendarische VPRO-programma Hoepla waarin, drie jaar na mijn legendarische interview, een vrouw naakt poseerde in een rieten stoel. Phil Bloom.

Mijn vader, moeder, broer Henk en ik stonden voor het raam de zware delegatie van de HP op te wachten. We hadden niet zenuwachtiger kunnen zijn wanneer de HP koning Willem-Alexander, koningin Máxima, premier Rutte, Camiel Eurlings én Vladimir Poetin naar Winschoten had afgevaardigd.

Ik trilde vanwege het interview, mijn moeder zat met de lunch in de maag en mijn vader was gespannen als een veer om bij de geringste aanwijzing van ongepast gedrag de types de deur te wijzen of ze er niet eens in te laten wanneer zijn gevoel dat gebood.

Daar kwamen ze aanwandelen, midden over de Parklaan. Hans Verhagen had een kanariegele pantalon aan, was zijn tijd ver vooruit met een gebleekt T-shirt en om zijn hals wapperde een stuk textiel, een foulard die ver achter de drager over de straat waaide als de sleep van een bruidsjurk, en dan in alle kleuren van de regenboog.

De nozem in een slobbertrui was op dat moment voltooid verleden tijd voor ondergetekende.

Wij waren niet de enige Winschoters die in opperste staat van opwinding verkeerden, de hele Parklaan draaide de lens van een verrekijker scherp op de verdwaalde exotische vogels in de straat. Achter en naast de beide HP-ers fietsten nieuwsgierige jongens en meisjes, gekleed in plusfours en plooirokjes, open voor de verre stap in de mooie wijde wereld die met de vreemdelingen naar de provincie Groningen was meegekomen.

De foulard danste in de lucht, de geur van marihuana bedwelmde de Roos van de Regio, niets wees op de aanwezigheid van een lastige vragen stellende journalisten, de zogenoemde persmuskieten.

Er was een onbekende magie tot ons gekomen, vreemd vrolijk, maar ook vrees inboezemend.

Mijn vader vertrouwde het niet, hij zei tegen mijn moeder: ‘Geef die maar geen soep, Annie.’

Ze traden binnen en de eerste woorden die Verhagen tot mij richtte waren: ‘Mooie broek.’

Nooit eerder had iemand me gecomplimenteerd met een mooie broek. Wij waren opgegroeid met een moeder die ‘je broek is vies, waar heb je ingezeten?’ placht te zeggen als het over de broek ging, iets anders kon ik me niet voorstellen bij het onderwerp ‘broek’: een broek was een noodzakelijk kledingstuk tegen het onmenselijk harde Groningse klimaat, geen luxe artikel dat eventueel bewonderd kon worden.

De mensen zouden elkaar meer moeten complimenteren met de broek of het overhemd. Het schept een band, het verheft je en neemt je op een prettige manier serieus.

Mijn leven werd in dat uur mooier, mijn vader ontdooide meer met elke minuut die verstreek en elk origineel politiek en maatschappelijk standpunt van de beide elegante heren, moeder serveerde precies op tijd de soep en een hele middag later vertrok de magische bezoek weer naar het station, langdurig nagewuifd door een gelukkige Winschoter familie.

We hadden zinnen gehoord, taal, er was iets geopend, maar wat precies?

De deur naar de lyriek. De weg naar het uiten van gevoelens.

Het opvallendste aspect aan deze plaatselijke opklaring die tot op de dag van vandaag in mij voortduurt, was het verlangen van de Groningers die wij waren en zijn, om ook zo ruim van opvattingen en gedachten te willen wezen. We realiseerden het ons toen nog niet, maar wij waren niet ‘nuchter’, het stomme etiket dat ze Groningers sinds onheuglijke tijden hebben opgespeld. Welnee! Wij staan open voor het onbekende, wij zijn ook dichters en modernen. Leve de andere taal, de foulard en het onbekende; behalve de ballonvaart.

En nu moet ik, voordat er ongelukken gebeuren, mijn eerste bezwaar uitspreken tegen het doen en laten van de heer Jan Modderman. In zijn biografie las ik dat in 1783 door de gebroeders Montgolfier de heteluchtballon werd uitgevonden en dat Jan in 1784 in Groningen een eerste proef deed. Op zijn scheepswerf liet hij een ballon op met daaraan bevestigd een kooi met een vogel. De ballon landde vijftien kilometer verderop in het Drentse Bunne.

Ik weet niet of Jan Modderman zelf nog in de heteluchtballon heeft gevaren. Ik wel. Eén keer. Nooit, maar dan ook nooit, meer. De vaart vond plaats in het kader van een reclamespot voor de Postbank. In de mand: een cameraman, een dame van de grime, de regisseur, een assistent-regisseur, twee acteurs, een geluidsman, een bankier die zin in een uitje had, zijn vrouw, de bestuurder van de ballon, een gashouderdrager en onder ons bakje hing de blauwe leeuw met een cameraman. Dit alles zonder veiligheidsriemen samengeperst op twee vierkante heen en weer wiebelende meter één kilometer boven de Lek.

Zoek wat de mensen verbindt en neem weg wat verdeelt. Neem de hobby dus weg die de dood tot gevolg heeft, ook al ziet het er op de eerste blik zo liefelijk uit, daarboven in de zomerse avondlucht met een aangenaam weemoedig stemmende ondergaande zon.

Dat was het eerste foutje, Jan Modderman.

Bij het afscheid pakte Hans Verhagen een boek uit zijn schoudertas (een schoudertas aan een man: een provocatie in die tijd) en schonk het aan mij. Het was zijn net verschenen dichtbundel Rozen & Motoren.

Ik was een jonge profvoetballer. Deze dichter zag mij niet slechts als voetballer, die zoals algemeen bekend niet kan lezen en schrijven. Hans Verhagen was een man gespeend van alle vooroordeel.

Ik zou deze voordracht willen beginnen met de wijze les vooroordelen weg te nemen. Wees enthousiast, niet argwanend.

Hard duwen hoefde de HP niet, wij Groningers zijn namelijk niet nuchter, wij zijn romantisch, gretig, licht ontvlambaar. Niet voor niets neemt iemand als Youp van ’t Hek zijn cabaretesk vermaak op in de Groninger Schouwburg om ze later op de nationale tv uit te zenden. Hij doet dat omdat het Groninger theaterpubliek het beste is van Nederland.

Groningers gaan dromend door het leven, en langzaam, zwaar, luidkeels, slim, sentimenteel, scherpziend, goedgelovig, vegetarisch met Wiener schnitzels, modebewust, droogkomisch, alles wat u wilt, behálve nuchter.
‘Zoek wat de mensen verbindt, neem weg wat ze verdeelt,’ was het motto van Jan Modderman.

De taal verbindt. Het vooroordeel verdeelt. Er zijn nare woorden die een rotte plek kunnen verwijderen en er zijn mooie woorden die de waarheid verdoezelen. Soms moet men deze mooie woorden wegnemen.

Mark Rutte en Diederik Samsom zijn op de televisie. Wat vertellen ze? Een sprookje. Het heet Dit mooie land. Als u het nog niet wist, wat onmogelijk is: met ‘dit mooie land’ bedoelen ze Nederland.

Mark zegt vijftig keer per week ‘dit mooie land’, Diederik komt klaar met behulp van de helft.

Personen die ons zo vaak met ‘dit mooie land’ willen verbinden, liggen liever te zonnebranden op Ibiza en Sankt-Moritz. Vakantieklus eenmaal geklaard, gaan we met dit mooie land weer aan de slag om er een participatieparadijs van te maken, hetgeen het volgende inhoudt.

Homoseksuele asielzoekers in een Nederlandse opvangcentrum worden bij binnenkomst ondervraagd over standjes in bed. De directeur hoort de klachten aan en grijpt niet in. Wanneer Een Vandaag een reportage over deze dagelijkse gewoonten maakt en het Ministerie van Justitie belt, faxt het Ministerie dat het op dit moment geen commentaar kan geven. Een beroemde Turkse zanger wordt op Schiphol, urenlang opgesloten en anaal gevisiteerd. Minister Leers maakt bekend dat de arrestatie ‘volgens protocol’ is verlopen. Producenten van SBS6 die met de directie van het Amsterdams Medisch Centrum onder een hoedje spelen om de patiënten in het geniep te filmen, zijn, met de dokters, verontwaardigd als er kritiek komt en stellen zich nóg arroganter op. Ontslagen blijven uit. Een bank tilt de klant, valt om en krijgt twintig miljard belastinggeld om weer bij westen te komen. Premier Rutte zit achter in de dienstauto het regeringsbeleid te bekonkelen met Kees van der Staaij en God. Als tegenprestatie laat Mark zich toejuichen door heilige geesten op het jongerencongres van de SGP. VVD-lid Jeanine Hennis Plasschaert is principieel tegen de weigerambtenaar, maar stemt om partijpolitieke redenen voor. Jeanine kreeg als beloning het Ministerie van Defensie. Camiel Eurlings, ooit minister van Verkeer, deed alles wat in zijn vermogen lag om met zijn beleid de belangen van de KLM te behartigen. Camiel is inmiddels hoogste baas van de KLM.

Neem de corruptie weg en zoek het fatsoen. Ter verbetering van de toestanden zijn nare, harde woorden nodig, geen complimenten, bijvoorbeeld: ‘Camiel, wat heb je een mooie broek aan.’

Toch, en nu spreek ik mezelf ogenschijnlijk tegen, is het zaak zelfs in taal die vals het overheidsbeleid bezingt, de schoonheid te zien. Niet bitter worden, lyrisch is het devies.

Minister Kamp voerde in Middelstum het woord in bijzijn van een groep bange inwoners van de streek. Er waren televisiecamera’s en Kamp zei ongeveer dit: ‘De mensen in dit gebied zijn ongerust. De mensen worden ontslagen en wonen al in een huis dat door de aardbevingen scheef staat. Deze mensen zijn bezorgd. Dit gebied is bang. De mensen daar zijn jarenlang door de NAM niet op de juiste manier behandeld. De NAM is een goed bedrijf met goede mensen aan het roer. De NAM heeft compassie met de mensen daar. Wij gaan er ook alles aan doen. De mensen daar hebben er recht op. Ze zijn bezorgd om hun kinderen. Die kinderen willen ook een veilige toekomst.’
Taal om van te ontploffen. Je wilt het uitschreeuwen dat de mensen daar dat allemaal al weten en dat de overheid bij monde van Kamp de minister geen gratis reclame voor een televisiecamera hoeft te maken, omdat de mensen daar het zat zijn om voor de gek te worden gehouden.

En dan zie je Kamp ’s avonds bij Pauw & Witteman en hoort in compacte, poëtische vorm de herhaling:
Jeroen: ‘Bent u zelf in het gebied geweest?’
Kamp: ‘Ja, ik ben daar bij de mensen geweest.’
Jeroen: ‘Ook thuis?’
Kamp: ‘Ongeveer zeven keer.’
Paul: ‘Middenin het gebied.’
Kamp: ‘Bij de mensen daar.’
Paul: ‘En wat zeiden ze?’
Kamp: ‘Een Groninger zegt niet veel, het zijn bescheiden mensen daar.’
Jeroen: ‘Wie precies?’
Kamp: ‘Die mensen daar.’
Paul: ‘Waar?’
Kamp: ‘In het gebied daar.’

Het was alsof Henk met ‘die mensen daar’ een groepje verwilderde nomaden in een eindeloze toendra in de Oeral op het oog had, tienduizend kilometer rijden op een eland verwijderd van Den Haag.

Ik heb de dialoog in die studio uitgeschreven en iets verbeterd achter elkaar gezet zonder de namen erbij. En dan klinkt het zo (Jan declameert het vers op gedragen, oud-dichterlijke toon):
Ik ben in het gebied geweest / Bij de mensen daar / Ja, ook thuis, ongeveer zeven keer / Middenin dat gebied bij de mensen / Groningers zijn nette, bescheiden mensen / Ze zeggen niet veel / Die mensen daar / In dat gebied.

Mijn mensenkennis, politieke antenne en een rest van vooroordeel die in me wonen, zeiden dat Kamp het gebied gratuit de mouw veegde. Maar je moet de minister ook zien als een gevoelige persoon van vlees en bloed en dichtaders. De dialoog met Witteman en Pauw was een lyrische ontboezeming. Henk Kamp is een dichter van het kaliber J.C. Schagen, de Zeeuwse meester die met enkele droge zinnen de gevoelige snaar wist te raken: ‘Verloren duinen / een kindertijd ver in zee / en zo verdwenen.’

De vergankelijkheid in luttele woorden gevat.

Ik voel mij verwant aan dichters als H. Kamp en J.C. Schagen. Als ik mijn eigen poëzie erbij pak en mijn laatste vers reciteer, zult u horen dat de Groningse dichter met heel weinig zoveel vermag als Kamp en Schagen:
Moi / moi / hou ist? / best / mit die? / kon minder / moi / moi.’

Sinds woensdag en de gemeenteraadsverkiezingen is het woord ‘minder’ in een kwaad daglicht komen te staan en zou eigenlijk weggenomen moeten worden, maar het is als met de muziek van Wagner: de appreciatie voor schoonheid en schepper dienen gescheiden te blijven.

Er is een goedheid die afstoot en een slechtheid die aantrekt. Het ongeluk, het kwaad, komt van buiten, maar ook van binnen, waar het aardgas welig tiert, het kwaad van Groningen is en tegelijkertijd het geluk van Den Haag.

Wij bevinden ons momenteel in het tijdperk vlak voor de grote aardbeving in 2018, 5.4 op de Schaal van Richter en bijgenaamd De Zware Hendrik. Een onterechte bijnaam natuurlijk, minister Kamp was slechts verantwoordelijk voor de oplaaiende woede in de provincie, niet voor die fatale verzakking van de aarde. Het lijkt mij goed nog eens herinneringen op te halen aan de gelukkige tijd voor de Big One het noorden in het verdriet stortte. Persoonlijk denk ik dan vooral aan die onvergetelijke dag in Leek.

Er leken weinig mensen op straat te zijn in het zonovergoten stadje. Gelukkig met elk rieten dak op een huis wandelde ik door de verlaten straten, geen idee van de gebeurtenis die me de volgende minuut vol in de maag zou treffen. Het sierlijk gesmeed bord verwees naar de brink, met het prettig rumoer van jongens en meisjes en dames en heren die gezamenlijk het klassieke brinkgeluid op een drukke dag maken, de brink, waar de warme bakker zijn bakfiets op de volle terrassen tussen de duiven door manoeuvreert, de glazenwasser zijn baantjes trekt over hoge vensters met Leekster schonen erachter, die met hun blote borsten het badschuim tegen het raam drukken zoals overal op de wereld waar de meisjes genoegen scheppen in lokaal testosteron naar levensgevaarlijke hoogten op te stuwen. Wat valt er anders te doen?

Er klonk gejuich in de verte. Er lag een rails met een trein op de brink. Het betrof een treintje van multiplex en het kwam recht op me af. In het eerste bakje achter de locomotief zat koning Willem-Alexander. Zijn vrouw Máxima zwaaide in het tweede. Ook zij was met opgetrokken knieën opgetild en in de wagon geperst. Tuut tuut floot het fluitje van de ceremoniemeester-burgemeester van de Kennismakingtoer.

Máxima stapte uit en ging gebukt voor me staan. Ik sprong bokje. Ze lachte vriendelijk en poseerde daarna met haar echtgenoot in een rechtopstaand bed. Toen kwam er een boer met een koe aan een touw die een melodie kon loeien. Het hele plein zong met het koebeest mee: ‘Lang zullen ze leven.’

Na de samenzang propten we ze weer in de trein en reden naar een hoek van het plein waar een hoop wc-potten lag. De koning wierp de eerste. Zes meter tien. We togen massaal naar de herberg om ons te bezatten. Twee etmalen later was ik weer thuis. Ik was één met mijn volk geweest in het geluk. Ik had het gedeeld en die factor maakt geluk nog gelukkiger. Mijn geluk was het regelrechte gevolg van de monarchie, ik had bokje gesprongen over Máxima. ‘De geest moet waaien’ zei Johnny van Doorn, maar die van mij vliegt, als een westerstorm, sinds die heuglijke dag.
Voor u staat een republikein en democraat. De monarchie is ondemocratisch. En toch ben ik donateur van deze ouderwetse, verouderde, totaal voorbijgestreefde vorm van maatschappelijke organisatie. Men dient zich neer te leggen bij de wil van de meerderheid. Zoek wat de mensen verbindt en neem de monarchie, die ik ervan beschuldig dat ze de mensen eigenlijk opdeelt en dus verdeelt, niet weg. Het principe behoort te wijken voor de heersende mening dat een vorst, hoe beperkt hij ook ter wereld kwam, goed is voor de samenleving.

Alleen wanneer Geert Wilders en zijn PVV straks de macht grijpen en met een democratisch verkregen meerderheid van het gepeupel de dienst gaan uitmaken, wordt het anders. Dan zal ik overwegen dit mooie land te verlaten, aangezien het land mij niet verlaat. Tot dat schrikwekkende uur zal ik alles doen wat in mijn vermogen ligt om te zoeken wat ons bindt en weg te nemen wat ons verdeelt.

De taal verbindt. Ik ben er thuis. In het Nederlands. In het Groningse dialect. Ik ben in het diepste van mijn wezen de hartstochtelijke Groninger die, tot wanhoop gedreven, met een tractor naar Middelstum rijdt en hem voor het raam parkeert waarachter minister Kamp een rapport van de NAM voorleest aan de mensen daar.

Tractoren gaan traag en indrukwekkend, schitterend en vreedzaam. Rozen, aangevoerd door fractievoorzitter Samsom van de PvdA die ook plotseling geïnteresseerd was in het wel en wee van Middelstum, Loppersum en Zeerijp, zijn ook rood en mooi.

Niet duidelijk is wie verbinden en wie verdelen: de rozen of de tractoren.

Ik pleit voor de tractor. De roos van Samsom is lomp en allang het tegenovergestelde van een wellevende geste. De rozen kunnen er niks aan doen, het is de PvdA die hun ziel en zaligheid heeft bezoedeld.

Ik heb Rozen & Motoren er nog eens op na geslagen voor enige bewijsvoering, en lees nu het gedicht Het schrikbewind van rozen, want in 1964 was me de strekking gedeeltelijk of misschien zelfs geheel ontgaan.

Ik loop op rode, romantische sokken, en ver
van huis,
steeds verder van mijn oorspronkelijk lichaam
vandaan.
Ik heb geen voet om in te overnachten,
geen mond ook
om mijn woorden te bewonen:
ik leid het leven
van een koekoeksei,ontvang zelfs mijn
vriendinnen nog in jou.

Een zeewaardig bestaan: geen vaste voet,
nooit eens opgebaard
in je eigen bruidsbed of ontwaken in een schoen
van jou alleen.
Nooit dan als een mondvol leugens lyrisch lopen
sterven
in een vreemd rooskleurig lichaam, ver
van huis.
Deze regels bezingen de grote, fatale liefde voor die ene.

Zoek wat de mensen verbindt, neem weg wat verdeelt, zei Jan Modderman. Als je zijn motto tot in de uiterste consequentie naleeft, zou je moeten zoeken naar de grote liefde en de aandacht voor de rest van de mensen wegnemen. Ik kan het niet, ik hou ook van u, kerk, maar het wonder van de liefde voor die ene uitzonderlijke, zou ik vandaag graag betuigen. Zij personifieert de scherpe scheiding met de rest van de menselijke wezens die mijn pad hebben gekruist.

Aanbidding dreigt, helemaal onderdompelen in dit zo aangenaam begrensde is verleidelijk, alle anderen vergeten het gevolg. Niet doen. Houd van alle mensen, ook van wie je lichamelijk en geestelijk ver af staat, bijvoorbeeld Henk Kamp en de directeur van de NAM. Neem hen niet weg. Zij hebben ons nodig. Dat is het verschil met die ene grote liefde, zonder wie jij niet kunt.

Ik ga die ene grote liefde een boeket tractoren schenken. Een mooie McCormick, een Deutz 6006, wat groen ertussen, een Massey Ferguson, een Lanz Bulldog en een John Deere. Trekkertjes die haar, de ene, aan mij doen denken: rood en gloeiend van affectie.

Tractoren zijn de nieuwe rozen, de trekkerchauffeurs uit ‘t Zandt de nieuwe dichters.
Vandaag berijd ik haar
Mijn Deutz 6006 met voorlader en emmer
Dochter van Massey Ferguson
En Lanz Bulldog
Op de weg naar Spijk
Onder een blauwe boog van zwerk
Pakte ik, aangedreven door een innerlijke motor,
De tedere zweep en kastijdde mijn lieve Deutz 6006
Een man uit Middelstum kwam me tegemoet
Hij riep: toe maar mep erop los, harder
Met de poetslappen begon ik kermend van de pijn
Mijn verdriet op te glanzen

Mijn werk is in het Duits vertaald door Louis van Gaal.

Tractormädel! Heil!
Ich, dein Feldwebel
Du, ganz meiner Typ
Werden wahnsinnig geil
Im Grass neben das Termunterdiep

De mannen van ’t Zandt en Spijk reden de tractoren voor de ramen van de zaal in Middelstum waar de afgezant van de regering zijn rapport presenteerde, en daar de instemming kreeg van de Commissaris der Koning Max van den Bergh en van de burgemeesters van de gemeenten die te lijden hebben onder de aardschokken en jarenlang getreiter van de NAM. De bevolking keek ongelovig toe: dit is niet wat ze hadden verwacht, gewild en gehoopt. Het was weer allemaal net iets te weinig uit de schamele schappen van de kruideniers annex plunderaars, de Overheid en de NAM, dat de bevolking in de maag gesplitst was. Hier doet zich het probleem voor van de volksvertegenwoordiging die het volk niet zo goed vertegenwoordigt. Hier zie je de verwaterde verhoudingen in gemanipuleerde communicerende vaten, het geheel verworden tot redeloos in elkaar verstrikt geraakte belangen.

De burgemeesters luisteren met een onderdanig oor naar hun CdK, de CdK heeft in achterkamertjes onderhandeld met de minister en is met hem tot overeenstemming gekomen, de minister loopt aan de leiband van de macht van multinational de NAM, dat bestaat uit Exxonmobil en Shell. Ze maken honderden miljarden winst en zijn nu zo goed om samen met de overheid – u betaalt dus – de door hen uitgeholde en geteisterde provincie een schadevergoeding van 1 miljard te beloven. 1 Miljard. 1. Max van den Berg: ‘Een grote som geld.’ Jan Mulder: ‘Een schaamteloze fooi.’
Als pleister op de wonde komt er een ‘dialoogtafel’ waaraan eventueel meer of minder fooien kunnen worden bedisseld. Alle geledingen van de maatschappij zijn vertegenwoordigd en de dialoogtafel wordt voorgezeten door ervaren politici en oud-politici die daarvoor een royaal salaris toucheren. De dialoogtafel kost de staat, dus de burgers in de gescheurde huizen, ongeveer 1 miljoen euro.

Ik wil die tafel niet kwijt, hij heeft de schijn van het goede en dan is de gemiddelde murw geslagen burger al blij, dus ik ook, ik sluit me aan. Wel maken wij ons zorgen over de taal die aan de dialoogtafel gesproken zal worden. Er zitten vast veel ‘zeg maar’ en ‘zal ik maar zeggen’- zeggers aan onze dialoogtafel.
Taal verbindt steeds minder, ik in elk geval erger me aan aanstellerij, hypercorrectie, verengelsing die het articuleren weg snijdt – en voel me buitengesloten.

Op zondag 1 december 2013 (ik noteer het verloop van mijn afscheiding gedetailleerd) zei de weerman op de radio: ‘Ladavada.’

Men spreekt op radio 1 toch nog steeds Nederlands neem ik aan? Uit het verloop van de zin begreep ik de betekenis achter die mij onbekende klanken: later vandaag zouden laag hangende wolkenvelden Nederland binnen drijven.
Het is de t die dankzij de verengelsing wordt gedegradeerd tot een d. De lezer van het Journaal heeft het over een file van zeven kilomeder op de ring van Rodderdam (Journaal zaterdag 2 maart, 2013, 6 uur), TV Noord zag een motorongeluk bij ‘Abbingedam’ en op een later tijdstip (‘lader dijdsdip’) deed de bresendador van Buidenhof op 17 maart 12 uur 23 zijn gewaardeerde bijdrage aan ons notitieboekje en op dezelfde dag jubelde RTLZ: ‘Over naar Beder Zadelhof op de Amsterdamse beurs. Dag Beder.’ En Peder gaf toen een toelig ding op de activiteiten. Wat nog niet zo erg is als de ‘hoof drol’ zoals men tegenwoordig een hofdrol in een film uitspreekt.

De moedertaal en de uitspraak ervan is op weg een tragi-komiedie te worden, het zoeken naar wat verbindt, uitgemond in het vinden van wat verdeelt.

Niemand protesteert, integendeel, men volgt gedwee, het is als bij de gewenning aan de Marokkanen-haat van Geert: je hoort het nauwelijks meer, tot hij weer een stap verder gaat met haat zaaien.
Laat ik me bij de komische uitspattingen van de taal houden, hoof drol en de spreekbeurten van Kamp – daarin zit dan weer mijn animo om door te gaan.

Deze ontwikkeling is gevaarlijk. Taal behoort te verbinden en niet te scheiden. Maar zij scheidt en scheidt en scheidt. De taal wordt met de dag verraderlijker. De Tweede Kamer is een cryptogram van de democratie, een spel waarin aan elk woord zes betekenissen kan worden toegeschreven, al naar gelang het belang van de spreker.

Wees nauwkeurig. Spreek normaal Nederlands. Schrijf het volgens de regels. Ter verduidelijking van het belang hiervan laat ik u nog eens deelgenoot worden van de beroemde anekdote over Karl Kraus, de vermaarde Oostenrijkse columnist en publicist.

Een vriend kwam zijn studeerkamer binnen stormen en riep: ‘Sjanghai is gebombardeerd!’ Kraus keek niet op en schreef door. ‘Ben je niet geïnteresseerd in de oorlog, maakt het je niet uit? Vind je een komma in je stukje belangrijker dan de wereldvrede?’ riep de vriend.

Kraus keek op en antwoordde rustig: ‘Wanneer de komma’s altijd op de juiste plaats waren gezet, was er nooit ergens een oorlog uitgebroken.’

Komma’s verbinden, mits ze op de juiste plaats staan. Komma’s verdelen wanneer ze een zin doormidden scheuren en de betekenis ervan op de kop zetten. Wees precies, niet slordig en meegaand met alle om de dag de kop opstekende taalgebruiken.

Verweer u tegen de verengelsing en de verengelste uitspraak, spreek Nederlands, ’t liefst nog cigaret met een –c, naamvallen en een dubbele oo in boomen (hoewel ik besef dat dit voorbije niet meer kan worden teruggedraaid), praat naast ABN ook plat-Gronings, voor het genot van de finesse die een meneer uit Tirol nooit zal smaken.
Komt ‘ôle kwinte’ niet veel dichter bij het te benoemen ding dan ‘oud huis’?

Onderhoud het dialect. Doet u dat niet, sukkelt u mee de verengelsing in, dan is Nederland, dat ons eens verbond, binnenkort een Duitse provincie waar men steenkool Engels brabbelt en binnen afzienbare tijd zal worden weggegeven aan Vlaanderen, dat ook eenzaam en alleen is omdat ze zich van de Walen hadden afgescheiden en spijt kregen na de economische Krach van 2026.

Ik sprak laatst mijn Oegandese krantenbezorger en werd onwel van z’n Nederlands. Te veel naar mevrouw De Hond van het weerbericht geluisterd zal ik maar zeggen, er komt gewoon geen woord meer gewoon uit zeg maar. Turkije is ‘in die hoek’, regen ‘flink plenzen’ en vijf graden boven nul geen vijf graden boven nul meer maar altijd en eeuwig dat vermaledijde ‘een graad of vijf’, hetgeen betekent: vier, vijf, of zes, zeven misschien wel en als het ‘temperatuurtje’ er zin in heeft misschien wel acht à negen en voor je het weet zit je in een hittegolf.
‘En de wind is wak.’ Wat is dat: een wakke wind?

Mijn vrouw, die ene, allergrootste liefde van mijn leven wier bestaan me met alles en iedereen verzoent, wordt enthousiast als ik me weer eens druk maak over de ondergang van de taal en de wereld: ‘Geef ze van katoen, Jan!’
Ondertussen maakt ze zich zorgen over ons huwelijk. Het gaat, weliswaar met mijn beste bedoelingen, de verkeerde kant op. Ik neem te veel slecht nieuw weg en zoek te veel goed oud. Nog een paar tikjes meer verbeten in de leer, zeg maar een graad of drie, vier, vijf, en ze zal zich van me afkeren wegens de onmogelijkheid samen te leven. Iemand die midden in de nacht plotseling ‘hoof drol’ brult, is geen goede levenspartner, maar liefdes lastpak, ik geef het toe.
Wij trokken zo mooi samen op. Er hoefde niets te worden uitgelegd, niets gezocht dat ons verenigde, niets gemeden omdat het ons verdeelde. Mijn liefde voor de symbiose van het goede had ons samengebracht. Maar wat ik eens als het goede zag en zocht, gaat ons uiteindelijk verdelen. O taal, o spreker van deze lezing, let op uw saeck.

Frits Bolkestein hoorde ik laatst zeggen: ‘Zij waren met geen man en paard over de streep te trekken.’ De voorzitter van de Raad van Bestuur van de firma Randstad, zei, ik citeer hem letterlijk: ‘Eén zwaluw en zo en nog geen lente.’ Die luidt officieel anders, hoor. ‘Eén zwaluw op de grond is het voorjaar in de mond.’ Flauw, dat kan Remco Campert beter: ‘Wie voor een presenteerblad geboren is, wordt nooit een saxofoon.’

Ik zou daar een nieuw spreekwoord aan toe willen voegen: ‘Houd vast wat verdeelt en ban uit wat verbindt.’
We schrijven 22 maart 2014, in het tijdperk na Jan Modderman. Draai zijn stelling om en je loopt de kans dat je dichter bij een ideale maatschappij komt. Ik zoek de monarchie omdat niemand het wegneemt. Ik ben een minnaar van het Nederlands en hoor poëzie in de valse taal van de politieke medemens. Ik bewonder rozen en noem ze tractoren. Ik hou van het lieve leven, maar als het uur van de waarheid gekomen is, zal ik niet tegen spartelen. En ik ben in mijn ogenschijnlijk pessimisme een rasoptimist: wie voor een presenteerblaadje geboren is, kan heus een saxofoon worden. Mits hij of zij het slechte zoekt en het goede wegneemt. Jan Modderman was een onmisbare figuur voor de ontwikkeling van de huidige sociaal voelende industrieel, Jan Mulder, dank u. Mijn vrouw en ik hebben de app van onze florerende strohandel aan een Amerikaanse internet wizzkid verkocht, zijn nu redelijk gefortuneerd en worden niet moe goed te doen. Ik heb voor dat goede de wijsheid omgedraaid van de man dankzij en ter ere van wie deze bijeenkomst is georganiseerd met een jaarlijkse lezing, die hopelijk nog een lang leven beschoren is, opdat wij over een paar jaar ons voordeel kunnen doen met door dat tijdsgewricht aangereikte nieuwe, frisse omkeringen.